ISVW - Hotel | Internationale School voor Wijsbegeerte

HALL OF FAME

Sinds 1916 hebben al vele bijzondere filosofen de ISVW vereerd met een bezoek. In deze Hall of Fame vindt u  portretten van deze grootheden.

Rabindranath Tagore was een Bengaalse dichter, filosoof, beeldend kunstenaar, schrijver van romans en toneelstukken en componist, wiens werk de Bengaalse literatuur en muziek vormde in de late 19e en vroege 20e eeuw. Hij was de eerste Aziatische Nobelprijs winnaar, toen hij in 1913 de Nobelprijs in Literatuur ontving. 
Tagore werd geboren in Calcutta en schreef zijn eerste gedichten op zijn achtste. Toen hij zestien was, publiceerde hij poezie onder het pseudoniem 'Bhanushingho' (Zon Leeuw) en hij schreef zijn eerste korte verhalen en toneelstukken in 1877. Onderwijs aan huis, leven in Shilaidaha en reizen maakten van Tagore ene non-conformist en pragmatist. Hij protesteerde hevig tegen de Britse Raj and steunde de Indiase Onafhankelijkheids Beweging evenals Mahatma Gandhi. Zijn leven was traigisch- hij verloor zijn gehele familie en zag tot zijn verdriet Bengalen instorten- maar zijn levenswerk overleefde in de vorm van zijn poezie en het instituut dat hij stichtte: de Visva-Bharati Universiteit.

Tagore schreef romans, korte verhalen, leidjes, dansstukken en essays over politieke en persoonlijke onderwerpen. 'Gitanjali' (Song Offerings), 'Gora' (Fair-Faced), and 'Ghare-Baire' (The Home and the World) zijn enkelen van zijn meest bekende werk. Zijn werk kenmerkte zich door ritmisch lyriek, meditatief naturalisme en filosofische contemplatie, en werd wereldwijd gewaardeerd. Tagore was ook een culturele hervormer in het moderniseren van de Bengaalse kunst door zijn ontkenning van de restricties die kunst aan klassieke Indiase vormen bond. Twee liederen van zijn rabindrasangeet canon zijn nu de nationale hymnes van Bangladesh en India: de Amar Shonar Bangla en de Jana Gana Mana.

Martin Heidegger was een Duitse filosoof uit 1889. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de grootste en invloedrijkste filosofen van de twintigste eeuw. Zowel naar de inhoud van zijn werk als qua persoon is Heidegger niet onomstreden. Zijn zeer persoonlijke, vaak moeilijk te begrijpen taalgebruik is in de ogen van 'heideggerianen' fascinerend, hypnotisch en poëtisch. De invloed van zijn taalgebruik vind je onder meer terug bij Sartre en Derrida. Datzelfde taalgebruik vindt echter geen genade in de ogen van bijvoorbeeld Adorno (Jargon der Eigentlichkeit) en Günther Grass (Hundejahre) die het als bombastisch en onontwarbaar jargon beschouwen. Als persoon staat Heidegger ter discussie vanwege zijn vrijwillig lidmaatschap, kort na de machtsovername door Hitler, van de nationaalsocialistische partij (NSDAP). Nog meer compromitterend bleek zijn -zeker aanvankelijk- daadwerkelijke politieke steun aan die partij. Onder meer Adorno en Habermas hebben geprobeerd aan te tonen dat Heideggers invloed en toonzetting hebben geleid tot een sfeer in Duitsland die leidde tot de opkomst van Hitler.

Echter de Franse deconstructivistische filosofen Derrida en Lyotard beschouwen met name de 'Rektoratsrede' van Heidegger als een fundamentele en positieve herwaardering van denken en opvoeding in de moderne staat. Met hen beschouwen veel filosofen het denken van Heidegger als een bron van studie en inspiratie.

In 1927 verscheen Sein und Zeit (in de Nederlandse vertaling van M. Wildschut in 1998 verschenen als Zijn en Tijd) waarin hij de fundamentele rol van de tijdelijkheid (gezien de dood) van het menselijk bestaan in de zin van dat bestaan, zowel objectief als subjectief, onderzoekt. Het boek is deel 1 van een mislukt en afgebroken project. Hij laat onder andere zien hoe vanuit de onlosmakelijke verbondenheid met het bestaan (In-der-Welt-sein en Geworfenheit) de mens vanuit zijn zorg om zijn eigen bestaan, zich richtend op zijn eindige toekomst en vanuit die toekomst zijn verleden interpreterend, zijn huidige bestaan in zijn mogelijkheden vorm wordt gegeven. In zijn analyse van het Dasein treedt hij in debat met de grote filosofen en de wetenschap die hij te kort vindt schieten. Hij verwijt hen nooit diep genoeg over het zijn nagedacht te hebben. De gedachten over mens-zijn als Dasein, als in-der-Welt-sein, als Mitmensch-sein, als sein-zum Tode, opvattingen over het Niets, over eigenlijk en oneigenlijk leven, over angst en dood, over geworpenheid en Sorge zijn tot op vandaag basisbegrippen in de wijsbegeerte.

Heidegger gebruikt vele nieuwe woorden en begrippen omdat de betekenissen van standaard termen uit zijn tijd hem niet bevielen. Daardoor is op enkele paragrafen na Sein und Zeit voor 'beginners' moeilijk te lezen. Bovendien zijn door de haast waarmee hij het werk schreef en de complexiteit van de zaak de zinsconstructies niet altijd even eenvoudig. Gelukkig bestaan er goede inleidingen, ook in het Nederlands. Met zijn Freiburgse 'Antrittsrede' (24 juli 1929) Was ist Metaphysik heeft Heidegger veel opzien gebaard, vooral de afsluiting met de vraag die hem zijn hele lange leven zal bezighouden: 'Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?' (Waarom is er überhaupt Zijnde en niet eerder Niets?).

 

Jean Piaget  (1896 –1980) was een Zwitserse filosoof, natuurwetenschapper en ontwikkelingspsycholoog. Hij is zeer bekend om zijn studie van kinderen, zijn theorie over cognitieve ontwikkeling en om zijn epistemologische visie,' genetische epistemologie' genaamd. IN 1955 stichtte hij het Internationale Centrum voor Genetische Epistemologie in Genève en hij was directeur tot 1980.

Avram Noam Chomsky (1928) is een Ameriakaanse linguist, filosoof, politieke activist, schrijver en lector. Aan de Massachusetts Institute of Technology is hij Institute Professor en emeritus hoogleraar in linguistiek.
Chomsky heeft the theorie van generatieve grammatica ontweorpen, één van de meest belangrijke bijdragen aan de linguistiek in de 20e eeuw.  Ook bracht hij de cognitieve revolutie in de psychologie verder, met zijn boek over B. F. Skinner's 'Verbal Behavior'. Zijn naturalistische benadering van de taalstudie heeft de taalfilosofie en de philosophy of mind erg beinvloed. Volgens de Arts and Humanities Citation Index in 1992, was Chomsky als bron meer geciteerd dan elke andere levende academicus gedurende 1980–1992, en over alle tijden de 8e meest geciteerde. 
In de zestiger jaren kreeg Chomsky meer internationale bekendheid door zijn kritiek op de oorlog in Vietnam. Hij wordt beschouwd als een belangrijk intellectueel figuur in de linkse vleugel van Amerikaanse politiek.   

Karl Raimund Popper (1902 –1994) was een Oostenrijks-Britse filosoof die algemeen wordt beschouwd als een van de grootste wetenschapsfilosofen van de 20e eeuw. Daarnaast was hij een belangrijk sociaal en politiek filosoof, een onversaagd verdediger van de liberale democratie en de principes van sociale kritiek waar deze op is gebaseerd, en een onwrikbaar tegenstander van autoritarisme. Hij is het bekendst geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie, zijn pleidooi voor falsifieerbaarheid als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden en zijn verdediging van de 'open samenleving'. Popper werd, samen met Eccles, door Fons Elders geïnterviewd in de ISVW. 

Popper werd in Wenen geboren in een Joods gezin en studeerde aan de universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1928 bij Karl Bühler in de filosofie, en gaf les op een middelbare school van 1930 tot 1936. In 1937 emigreerde hij naar Nieuw-Zeeland uit zorg om het opkomende Nazisme. Daar werd hij lector in de filosofie aan Canterbury University College in Christchurch (NZ). In 1946 verhuisde hij naar Engeland om lector te worden in de logica en de wetenschappelijke methode aan de London School of Economics, waar hij in 1949 een leerstoel kreeg. Hij werd 'Sir' Karl Popper in 1965, en in 1976 tot 'Fellow' van de Royal Society gekozen. Hij trok zich uit het academische leven terug in 1969, hoewel hij intellectueel en als prominent lid van CSICOP actief bleef tot aan zijn dood in 1994.

Popper bedacht zelf de term 'kritisch rationalisme' om zijn filosofie te omschrijven. Deze benaming is van belang omdat het zijn verwerping van het klassiek empirisme en van het observatie-inductiemodel dat zich daaruit had ontwikkeld aangeeft. Popper was een verklaard tegenstander van dit laatste model en meende in plaats daarvan dat wetenschappelijke theorieën universeel van aard zijn en alleen indirect kunnen worden getest door hun implicaties te toetsen door middel van een cruciale test.

Het toetsen van een theorie volgens de methode van Popper:

  1. Een theorie wordt getoetst aan de hand van een singuliere uitspraak, de basiszin.
  2. De basiszin kan in tegenspraak zijn met een theorie. Daarmee is die basiszin een potentiële falsificator (Theorie: ‘Alle zwanen zijn wit’. Potentiële falsificator: ‘Er is één zwarte zwaan’)
  3. Wanneer de falsificator wordt aanvaard - 'Er is één zwarte zwaan' - wordt de universele uitspraak over witte zwanen, weerlegd. Wanneer de falsificator niet wordt aanvaard krijgt de theorie een hogere 'corroboratiegraad'.

Een hogere corroboratiegraad betekent volgens Popper niet dat een uitspraak met een hogere corroboratiegraad meer waar is dan een uitspraak met een lagere corroboratiegraad, omdat ook een uitspraak met een hoge corroboratiegraad bij een volgende cruciale test weerlegd kan worden.

Emmanuel Lévinas (1906 -1995) was een Joods-Franse filosoof van Litouwse afkomst. Wijsgerig gezien was hij een fenomenoloog en existentialist. Lévinas koesterde aanvankelijk een grote bewondering voor Heidegger maar in de verdere ontwikkeling van zijn denkweg heeft Lévinas een zeer fundamentele kritiek ontwikkeld op het denken van Heidegger én op de existentieel fenomenologische traditie in zijn geheel. Heidegger koesterde sympathieën voor het nazi-regime en dit kan ook een rol gespeeld hebben in de (wijsgerige) breuk tussen Lévinas en Heidegger. De kritiek van Lévinas op de fenomenologische traditie luidde dat er vanaf het begin geen ruimte was voor de Ander.
Lévinas schrijft de Ander bewust met een hoofdletter om het onophefbaar anders-zijn van de andere te benadrukken. De Ander kan en mag door mij niet gebruikt worden voor eigen doeleinden en is nooit ongewild te integreren voor mijn eigen doeleinden. Volgens Lévinas was de Ander een weerloos schepsel dat een appel doet op mijn verantwoordelijkheid. In de fond is de relatie tot de Ander bij Lévinas dus ethisch van aard.

 

Peter Sloterdijk (1947) is een cultuurfilosoof. Als zoon van een Duitse moeder en een Nederlandse vader, studeerde hij filosofie, germanistiek en geschiedenis aan de universiteit van München. In 1975 promoveerde hij aan de universiteit van Hamburg. Vanaf 1980 publiceerde Sloterdijk vele essays, waaronder 'Kritik der zynischen Vernunft'. In 2001 werd Sloterdijk benoemd tot rector van de Staatlichen Hochschule für Gestaltung te Karlsruhe.
Zijn werk 'Kiritiek van de Cynische rede' dat in 1983 verscheen, bracht de nog jonge Sloterdijk haast onmiddellijke roem als een van de meest gelezen en vooral beruchte filosofen van de moderne tijd. Hoewel sommige filosofen hem zijn gebrek aan academische gestrengheid en zijn aforistische stijl verweten, waren er anderen, zoals Habermas, die hem wel au sérieux namen.[1] Andere internationaal erkende professors in de filosofie zoals Suhrkamp (1987) schreven artikels over hem, en er werden in Duitsland ook lezingen georganiseerd over zijn werk. Hoewel hij nu een academisch filosoof is en lesgeeft aan universiteiten[2], is zijn schrijfstijl onveranderd gebleven. Ook zijn de onderwerpen waar hij zich op richt even ongewoon als vroeger.

Peter Sloterdijk houdt zich niet bezig met de grote metafysische, ontologische en epistemologische problemen. Over de traditionele 'Grote thema's' van de filosofie zegt hij in 'Kritiek van de Cynische rede' het volgende:

"De grote thema's waren niets anders dan ontwijkingen en halve waarheden. Deze futiele hoge vluchten - God, het Universum, Theorie, Praxis, Subject, Object, Lichaam en Geest, Betekenis, Het Niets - dit alles is niets. Het zijn slechts namen voor jonge mensen, voor buitenstaanders, geestelijken en sociologen…"

Als postmodernist is er voor Sloterdijk geen plaats voor absolute waarheid, noch bestaat er voor hem zoiets als algemeen geldende ethische principes. Sloterdijk geeft zelf dus ook geen sluitende antwoorden op vragen waar ieder mens mee zit, zoals bijvoorbeeld 'Hoe moet ik leven?' en 'Door welke waarden en principes moet ik me laten leiden?' In tegenstelling tot bijvoorbeeld Marx en Nietzsche bouwt hij geen immanent filosofisch systeem van deugden en waarden op.

(Citaat uit de Kritiek:) "Nieuwe waarden? Nee bedankt!"

In 'Kritiek van de Cynische rede' accepteert hij dat voor het ogenblik onze westerse maatschappij, zoals hij meent, vooral gebaseerd is op nihilisme, maar stelt een andere benadering voor. De huidige houding die mensen tegenover het nihilisme aannemen, is cynisme dat hij als uitvloeisel van de Verlichting zag. Dit stelt hij tegenover kynisme dat hij prefereert als een betere reactie tegenover nihilisme.

In de trilogie 'Sferen' is zijn basisgedachte dat 'wie in de wereld is, ook altijd in een 'sfeer' is', van de intieme sfeer van het paar (bvb. de geliefden), naar grote metafysische stelsels (bvb. Plato), van microsferen naar macrosferen.

In 2011 bezocht Peter Sloterdijk de ISVW om zich te laten interviewen door Arnon Grunberg.

 

Martha Nussbaum

"Heel hard rennen is een van mijn bronnen van schoonheid en troost"
een citaat uit Van de schoonheid en de troost uit 2000.

Martha Nussbaum is geboren in New York als dochter van de advocaat George Craven uit Philadelphia en Betty Warren. Ze studeerde in 1969 af in theaterwetenschappen en klassieke talen aan de New York University. Vervolgens ging ze aan Harvard studeren en bewoog zich geleidelijk aan in de richting van de filosofie waarin ze in 1972 afstudeerde. Ze promoveerde in 1975 bij G. E. L. Owen. In deze periode trouwde ze met Alan Nussbaum, waarvan ze in 1987 weer scheidde, kreeg ze een dochter Rachel en bekeerde ze zich tot het jodendom.

In de jaren '70 en begin jaren '80 doceerde ze filosofie en klassieke talen in Harvard. Hierna ging ze naar Brown University. In 1985 kwam haar boek The Fragility of Goodness uit dat handelt over de ethiek. Dit was een invloedrijk boek, waaraan zij in belangrijke mate haar bekendheid binnen de geesteswetenschappen heeft te danken.

Gedurende de jaren '80 werkte ze samen met de econoom Amartya Sen op het vlak van economische ontwikkeling en ethiek. Samen staan zij de 'mogelijkhedenbenadering' (capability approach) voor. Zij beschouwen mogelijkheden (capabilities) zoals de mogelijkheid hebben om oud te worden, om deel te kunnen nemen aan het economisch verkeer of aan de politiek als de basisvoorwaarde waarop ontwikkeling kan plaatsvinden. Het begrip armoede krijgt hierdoor ineens een andere betekenis, namelijk het ontnomen zijn van deze (fundamentele) mogelijkheden. Dit staat in contrast met de algemenere definitie van ontwikkeling, waarbij enkel gekeken wordt naar de groei van het BNP, en van armoede, als het ontberen van inkomen. Het is een (moreel) universalistische benadering die tegenover een relativistische benadering van ontwikkeling staat. Veel van haar werk komt voort uit het gedachtegoed van Aristoteles.

Nussbaum heeft haar mogelijkhedenbenadering ook gebruikt bij haar herinterpretatie van John Rawls' 'A Theory of Justice'. In haar ogen krijgt Rawls vrijheidsprincipe pas betekenis als het wordt uitgedrukt in termen van vrijheden en mogelijkheden gebaseerd op de persoonlijke en sociale omstandigheden. Op dezelfde manier kan ook ongelijkheid worden uitgedrukt in termen van mogelijkheden.

Nussbaum neemt regelmatig deel aan het publieke debat, waarbij ze in discussie gaat met mensen als Allan Bloom, John Finnis, Robert P. George en Judith Butler. Dit doet ze door middel van het schrijven van recensies of artikelen voor tijdschriften, maar ze treedt ook af en toe op als expert in rechtszaken.

Martha Nussbaum bezocht de ISVW meerdere keren. Haar lezing uit september 2011 is gefilmd:

 

Rudiger Safranski (1945) schreef een boek over Heidegger: Heidegger en zijn tijd.  Daarnaast publiceerde hij o.a. 'Het Kwaad, Het drama van de vrijheid', de essaybundel 'Hoeveel globalisering kan een mens verdragen?' en biografiën van Schiller en Nietzsche. Safranski schreef ook het nawoord ('Literatur als Lebensmacht' ) in de nieuwe uitgave van 'Philip en de anderen' (1955).

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski promoveerde in de Germanistiek en de filosofie. Safranski is schrijver en presenteert sinds 2002 met Peter Sloterdijk voor de Duitse zender ZDF het programma "das Philosophischen Quartett". Safranski studeerde vanaf 1865 filosofie, Germanistiek, geschiedenis en kunstgeschiedenis in Frankfurt am Main (bij Theodor Adorno) en in Berlijn. Aan de Vrije Universiteit van Berlijn promoveerde hij in 1976 met het proefschrift "Studie tot ontwikkeling van de arbeidsliteratuur in de Bondsrepubliek." Aansluitend werkte hij als mede-uitgever en redacteur van "Berliner Hefte". Safranski werd vooral bekend door monografieen over  E. T. A. Hoffmann, Schopenhauer, Nietzsche enHeidegger en woont momenteel in Berlijn en München.

Francis Fukuyama bezocht de ISVW op 10 september 2010. Hieronder een filmverslag van zijn lezing over het organiseren van vertrouwen in verschillende samenlevingen.

Peter Singer bezocht de ISVW op 28 mei 2011. De Australische filosoof sprak over strategieën om dierenwelzijn te bevorderen. Zijn lezing is gefilmd.

Ook het interview dat Erno Eskens met Singer had is vastgelegd: